Schakelaar aansluiten met 3 draden: welke ader op welke klem
Drie draden op een schakelaar wijzen meestal op een wisselschakelaar: één gemeenschappelijke klem waar de fase of de schakeldraad op zit, en twee wisseldraden naar het andere bedienpunt. Tel daarom eerst de klemmen op de schakelaar en pas daarna de aders in de doos: twee klemmen is enkelpolig, drie is wissel of serie, vier is een kruisschakelaar. De nul loopt in de meeste Nederlandse installaties buiten de schakelaar om rechtstreeks naar het lichtpunt, dus een blauwe ader op een schakelaarklem is daar bijna nooit een nul. Welke ader welke functie heeft, stel je vast met een tweepolige spanningstester en de doorbelfunctie van een multimeter, want kleur is in oudere installaties geen bewijs.
Dit heb je nodig
- Tijd
- een uur voor één schakelaar, een dagdeel voor drie bedienpunten
- Moeilijkheid
- Alleen met basiskennis van elektra
- Kosten
- 20 tot 60 euro aan schakelmateriaal en draad
Gereedschap
- Tweepolige spanningstester, het instrument dat met belasting meet
- Multimeter met doorbelfunctie
- Geïsoleerde schroevendraaiers, vlak 2,5 en 3,5 mm
- Striptang met instelbare striplengte
- Zijkniptang
- Schilderstape en een watervaste stift om aders te labelen
- Zaklamp of hoofdlamp, want een schakelaardoos zit vaak in de schaduw
Materiaal
- Wisselschakelaars, of een kruisschakelaar voor een tussenliggend bedienpunt
- Installatiedraad 1,5 mm2 voor een lichtgroep
- Steekklemmen voor de verbindingen in de centraaldoos
- Adereindhulzen als je met soepele draad werkt
- Losse inbouwdoos of een gekoppelde dubbele doos bij een combinatie
Drie draden zeggen nog niet welke schakeling het is
Je draait een schakelaar los en er komen drie aders uit de doos. Dat getal bepaalt op zichzelf niets, want drie draden komen in vier verschillende schakelingen voor en hebben in elk daarvan een andere functie.
Tel daarom eerst de klemmen op de schakelaar en pas daarna de draden in de doos. Twee klemmen horen bij een enkelpolige schakelaar, drie bij een wisselschakelaar of een serieschakelaar, vier bij een kruisschakelaar. Dat onderscheid is de eerste stap, en de rest van de elektra in huis bouwt erop verder.
De verwarring komt doordat er in de doos vaak een ader ligt die helemaal niet op de schakelaar hoort. Een doorgeluste nul en een aarde tellen mee als je draden telt, maar niet als je klemmen telt.
De tabel hieronder loopt van wat je ziet naar wat het is. Zoek de rij op die past bij het aantal aders en het aantal klemmen, en je weet met welke schakeling je te maken hebt voordat je iets losmaakt.
| Wat je aantreft in de doos | Klemmen op de schakelaar | Welke schakeling dat is | Waar de aders op komen |
|---|---|---|---|
| Twee aders, meestal bruin en zwart | 2 | Enkelpolige schakelaar, één bedienpunt | Bruin als fase op de ene klem, zwart als schakeldraad op de andere; de volgorde maakt hier niet uit |
| Drie aders, waarvan er één losligt of is afgetapet | 2 | Enkelpolige schakelaar met een doorgeluste nul | Twee aders op de schakelaar, de blauwe blijft ongebruikt tot je er een dimmer of een slimme schakelaar plaatst die een nul vraagt |
| Drie aders die alle drie op de schakelaar zaten | 3, met één wip | Wisselschakelaar, een schakeling met twee of meer bedienpunten | De fase of de schakeldraad op de gemeenschappelijke klem, de twee wisseldraden op de overige twee |
| Drie aders, en beide helften van de wip kunnen tegelijk aan | 3, met twee wippen | Serieschakelaar voor twee lampen vanaf één punt | De fase op de gemeenschappelijke klem, elke schakeldraad op zijn eigen uitgang |
| Vier aders | 4 | Kruisschakelaar, het middelste punt van een schakeling met drie of meer bedienpunten | De twee aders die van dezelfde schakelaar komen samen op één paar klemmen |
| Een geelgroene ader naast de rest | Doet niet mee | Aarde, hoort niet bij de schakelfunctie | Doorverbinden naar het armatuur of naar een metalen frame, nooit afknippen of afplakken |
Zit er een blauwe ader op een schakelaarklem, behandel hem dan als schakeldraad en niet als nul. In de meeste Nederlandse woningen blijft de nul in de centraaldoos en komt hij niet bij de schakelaar, dus is blauw daar hergebruikt als schakel- of wisseldraad. Plak er tape omheen zodra je dat vaststelt, dan trapt de volgende persoon er niet in.
Wat de kleuren betekenen en hoe je ze natrekt
In een installatie van na ongeveer 1970 is bruin de fase, blauw de nul en geelgroen de aarde. Zwart en grijs zijn dan de aders die schakelen: de schakeldraad naar de lamp en de wisseldraden tussen twee schakelaars.
Die afspraak geldt voor de installatie zoals hij bedoeld is, niet voor wat er in jouw doos ligt. Wie ooit een ader tekortkwam, heeft de blauwe of de geelgroene gebruikt die er toevallig bij zat, en dat zie je aan de buitenkant niet terug.
Vaststellen doe je in twee ronden. Met de groep uit zoek je met de doorbelfunctie van een multimeter uit welke ader waar naartoe loopt, met de groep aan meet je met een tweepolige spanningstester tussen een ader en de nul in de centraaldoos.
Een ader die in elke stand van de andere schakelaars 230 V geeft, is de fase. Een ader die afhankelijk van een stand wel of geen spanning voert, is een wisseldraad. Een ader die alleen spanning voert als de lamp brandt, is de schakeldraad.
Label wat je vaststelt meteen met tape en een letter. De volgorde waarin je de aders uit de oude schakelaar haalt, ben je binnen tien minuten kwijt.
| Kleur | Functie in een installatie van na 1970 | Wat het in een oudere installatie kan zijn | Hoe je het vaststelt |
|---|---|---|---|
| Bruin | Fase, de ader die spanning aanvoert | In oude installaties is elke kleur mogelijk, ook rood of zwart | Meet tegen de nul: hier staat 230 V, ongeacht de stand van welke schakelaar dan ook |
| Blauw | Nul, rechtstreeks van de groepenkast naar het lichtpunt | Regelmatig hergebruikt als schakeldraad of als wisseldraad | Zit blauw op een schakelaarklem, dan is het geen nul; meet en markeer hem voordat je verder gaat |
| Zwart | Schakeldraad naar de lamp, of wisseldraad tussen twee schakelaars | Soms fase, soms nul | Twee zwarte aders in dezelfde doos zijn meestal de twee wisseldraden naar hetzelfde bedienpunt |
| Grijs | Tweede wisseldraad of tweede schakeldraad | Komt in oude installaties ook als nul voor | Doorbellen naar de andere schakelaar wijst uit of het een wisseldraad is |
| Geelgroen | Aarde, en uitsluitend aarde | In oude installaties soms groen zonder geel | Doorbellen naar de aardrail in de meterkast; blijft hij daar stil, dan is het geen aarde en moet je hem nameten |
| Rood of wit | Komt in nieuwe woninginstallaties niet meer voor | Fase, schakeldraad of wisseldraad | Meet de functie en zet er daarna tape met een letter omheen, zodat de doos leesbaar blijft |
Fotografeer de oude schakelaar van dichtbij voordat je de eerste ader losmaakt, met de klemaanduidingen in beeld. Zit je halverwege vast, dan is die foto het enige schema dat je van deze schakeling hebt.
De gemeenschappelijke klem vinden op een wisselschakelaar
Een wisselschakelaar heeft drie klemmen met twee verschillende rollen. Eén klem is gemeenschappelijk en staat altijd in verbinding met precies één van de andere twee; welke van de twee dat is, bepaalt de stand van de wip.
Op die gemeenschappelijke klem komt bij de eerste schakelaar de fase en bij de laatste schakelaar de schakeldraad naar de lamp. De twee andere klemmen zijn gelijkwaardig: verwissel je de wisseldraden onderling, dan werkt de schakeling gewoon en staat alleen de wip andersom.
De aanduiding verschilt per merk en per serie. Je komt L, COM, een punt, een pijl of het cijfer 1 tegen, en soms staat er helemaal niets op. Ga daarom niet af op een schema van een ander merk maar meet de schakelaar zelf uit.
Dat gaat zo: leg de losse schakelaar op tafel, zet de multimeter op doorbellen en probeer alle drie de paren. In de ene stand piept één paar, in de andere stand een ander paar, en het paar dat nooit piept zijn de twee wisselklemmen. De klem die in beide standen meedoet, is de gemeenschappelijke.
Diezelfde test scheidt een wisselschakelaar van een serieschakelaar, en die twee zijn aan de buitenkant nauwelijks uit elkaar te houden. Bij een serieschakelaar kun je beide contacten tegelijk gesloten krijgen, bij een wisselschakelaar nooit.
Een wisselschakelaar kun je overigens prima als gewone schakelaar gebruiken: bedraad alleen de gemeenschappelijke klem en één wisselklem, dan blijft de derde leeg. Andersom werkt het niet, want een enkelpolige schakelaar heeft de derde klem niet en kan de wisseldraden dus niet omzetten.

Doorbellen doe je uitsluitend aan een schakelaar die los in je hand ligt of aan een installatie waarvan de groep uit staat. Een multimeter die op weerstand of doorbellen staat en toch aan spanning komt, meet niet alleen fout maar kan ook zijn ingangsbeveiliging kosten.
Waarom er juist drie aders naar een bedienpunt lopen
In een Nederlandse lichtinstallatie komen fase en nul samen in de centraaldoos op het plafond. De nul gaat van daaruit rechtstreeks naar het armatuur en komt in geen enkele schakelaar; alleen de fase maakt het rondje langs de schakelaars.
Bij één bedienpunt kost dat twee aders in de buis naar beneden: de fase heen en de schakeldraad terug. Bij twee bedienpunten worden het er drie, want de fase gaat naar de eerste schakelaar en de twee wisseldraden gaan terug omhoog naar de doos en vandaar naar het tweede punt.

Dat is de reden dat je in een schakelaardoos zo vaak precies drie aders aantreft. Het aantal is geen toeval maar het gevolg van de manier waarop de schakeling vanuit de centraaldoos is opgebouwd, en hoe dat er per traject uitziet staat in het schema met het aantal aders per buis.
Komt er een derde bedienpunt bij, dan zit dat altijd tussen de twee wisselschakelaars in en krijgt het vier aders: twee wisseldraden in en twee wisseldraden uit. Daar hoort een kruisschakelaar, en de volgorde van aansluiten staat bij het aansluiten van een hotelschakelaar.
Het plaatje verandert niet als je later een vierde of vijfde punt toevoegt. De buitenste twee blijven wisselschakelaars met drie aders, en elk punt daartussen wordt een kruisschakelaar met vier.
Wat je met deze drie aders wel en niet kunt plaatsen
De praktische vraag is meestal niet hoe de schakeling werkt, maar of het apparaat dat je in gedachten hebt op deze drie aders past. Dat hangt af van één ding: of er een nul in de doos ligt en of je bedienpunt het eerste, het laatste of een tussenliggend punt is.
Een dimmer werkt alleen op een punt waar hij als wisselschakelaar aansluitbaar is, en dat is per model verschillend. Twee dimmers in dezelfde schakeling gaat sowieso niet, want de tweede dimmer krijgt zijn spanning via de eerste en beide regelaars sturen dan tegen elkaar in.
Voor bijna elke slimme schakelaar geldt dat hij een nul nodig heeft om zijn eigen elektronica te voeden. Ligt die nul er niet, dan is de gebruikelijke omweg een module in de centraaldoos of achter het armatuur, waar fase en nul allebei aanwezig zijn, met de bestaande schakelaars als drukcontact.
Een stopcontact naast de schakelaar in dezelfde combinatie vraagt nul en aarde in de doos. In een wisselschakeling zitten die er zelden, dus betekent dat meestal een extra ader trekken vanaf de centraaldoos.
| Wat je op deze plek wilt zetten | Kan dat met drie aders | Waar het van afhangt |
|---|---|---|
| Wisselschakelaar vervangen door een nieuwe wisselschakelaar | Ja | Neem de gemeenschappelijke ader over op de gemeenschappelijke klem; de twee wisseldraden mag je onderling verwisselen |
| Enkelpolige schakelaar op de plek van een wisselschakelaar | Alleen als je een bedienpunt opgeeft | De derde klem ontbreekt, dus de wisseldraden kunnen niet meer worden omgezet en het andere punt werkt niet meer |
| Wisselschakelaar op de plek van een enkelpolige schakelaar | Ja | Bedraad de gemeenschappelijke klem en één wisselklem en laat de derde leeg |
| Dimmer op een bedienpunt van een wisselschakeling | Soms | Het model moet als wisselschakelaar aansluitbaar zijn, en er mag er maar één in de schakeling zitten |
| Slimme schakelaar in de wand | Meestal niet | Die vraagt een nul in de doos; ligt die er niet, dan komt de module in de centraaldoos of achter het armatuur |
| Bewegingsmelder of aanwezigheidsmelder | Soms | Een melder met nulaansluiting valt af zonder nul; een tweedraads model heeft een minimale belasting die led-verlichting vaak niet haalt |
| Stopcontact in dezelfde combinatie | Nee | Een stopcontact vraagt nul en aarde, en die lopen in een wisselschakeling niet langs de schakelaar |
| Tweede lamp apart schakelen vanaf dit punt | Nee | Daarvoor heb je een serieschakelaar plus een extra schakeldraad naar de tweede lamp nodig |
Op welke hoogte de schakelaar komt en waar de leiding erboven loopt
Verplaats je de schakelaar of zet je er een bij, dan liggen twee maten al vast in de gewoonte van de Nederlandse woningbouw. Het hart van een schakelaar zit op 105 cm boven de vloer en dat van een wandcontactdoos op 30 cm.
Allebei zijn het gewoontes en geen voorschrift: NEN 1010 legt geen hoogte vast en schrijft alleen de zones in de badkamer voor. De marge die in de praktijk werkt is 90 tot 110 cm, en voor kinderen of vanuit een rolstoel is 90 tot 100 cm prettiger. Andere hoogtes in huis kun je nazoeken in de maattabel met hoogtes voor schakelaars en wandcontactdozen.
Naast de deur houd je ongeveer 15 cm aan tussen het kozijn en het hart van de schakelaar. Dichterbij past het afdekraam niet meer netjes langs de deurlijst, verder weg zoekt je hand in het donker mis.
Belangrijker dan de hoogte is waar de leiding zit. In een nette installatie loopt de buis recht omhoog of recht omlaag vanaf de doos, in een strook van ongeveer 15 cm breed. Boor je daarboven een gat voor een spiegel of een kapstok, dan zit de leiding precies waar je boort.
Die aanname geldt voor een installatie die volgens de zones is aangelegd, niet voor elke woning. In oudere huizen lopen buizen ook schuin. Wat voor wand je hebt en welke plug erin hoort, zoek je op in de ophangwijzer per wandtype, en die vertelt je meteen waar je bij gipsplaat op moet letten.
In de badkamer gelden wel harde regels. NEN 1010 verdeelt die ruimte in zones en binnen 60 cm van de rand van een bad of douche mag geen wandcontactdoos zitten. Alle wandcontactdozen in een badkamer horen achter een aardlekschakelaar van 30 mA, en een schakelaar zet je daarom meestal buiten de ruimte of je kiest een trekschakelaar.
Spanningsloos werken aan een schakeling met meerdere punten
Bij een gewone schakelaar is de fase weg zodra je hem uitzet. Bij een wisselschakeling gaat dat niet op, want welke van de twee wisseldraden spanning voert, hangt af van de stand van de andere schakelaar.
Daarom is de schakelaar zelf nooit je veiligheid. Zet de groep uit in de groepenkast, en zet hem uit met de automaat en niet met de aardlekschakelaar, want die schakelt bij een verzamelrail soms meer of minder groepen dan je denkt.
Controleer daarna op de aders zelf en niet op de lamp. Meet met een tweepolige spanningstester tussen elke ader en de aarde of de nul, en herhaal dat terwijl je de andere schakelaars van stand wisselt. Pas als alle standen dood blijven, is de doos veilig.
Gebruik daarvoor geen spanningzoeker in een schroevendraaier en ook geen contactloze zoeker. Die eerste loopt via jouw lichaam en meet niets betrouwbaars, de tweede piept net zo hard op een wisseldraad die alleen capacitief is opgeladen doordat hij meters lang naast de fase in dezelfde buis ligt.
Werk je in een huurwoning, meld het dan bij de verhuurder voordat je begint. Werkt er iemand anders in huis mee, plak dan de automaat af of neem hem mee, want een groep die halverwege weer aan gaat is de meest voorspelbare manier waarop dit misgaat.
Wat het gedrag van de lamp je vertelt over de aansluiting
Doet de lamp iets onverwachts, dan zegt het patroon precies waar de fout zit. Loop de tabel hieronder van links naar rechts: elk gedrag hoort bij een beperkt aantal oorzaken, en je hoeft dus niet alles opnieuw uit elkaar te halen.
Twee waarnemingen zijn geen fout maar horen bij de schakeling. Een wisselschakelaar heeft geen vaste aan-stand, dus dat de wip soms omhoog en soms omlaag staat als het licht brandt, is normaal. En dat je op een wisseldraad 230 V meet terwijl de lamp uit is, klopt ook: die draad hangt via de andere schakelaar gewoon aan de fase.
Test na afloop alle standcombinaties voordat je de afdekramen erop zet. Bij drie bedienpunten zijn dat acht combinaties, en de schakeling is pas goed als de lamp vanaf elk punt omgaat, ongeacht waar de andere twee staan.
Krijg je hem na twee ronden niet werkend, teken dan eerst uit welke ader in welke doos uitkomt voordat je nog een klem verzet. Blind verwisselen levert een tweede fout op naast de eerste.
| Wat de lamp doet | Wat er dan aan de hand is | Wat je meet of controleert |
|---|---|---|
| Blijft uit vanaf alle bedienpunten | De fase komt niet aan, de lamp is stuk of de schakeldraad zit los in de centraaldoos | Meet tussen de gemeenschappelijke klem van de eerste schakelaar en de nul; staat daar geen 230 V, dan ligt de oorzaak vóór de schakelaar |
| Brandt altijd, geen enkele schakelaar doet iets | De schakeldraad naar het armatuur hangt rechtstreeks aan de fase, meestal door een verkeerde verbinding in de centraaldoos | Neem de schakeldraad in de doos los: blijft de lamp branden, dan zit de fout in de doos en niet in de schakelaar |
| Werkt alleen als een andere schakelaar in één bepaalde stand staat | De fase of de schakeldraad zit op een wisselklem in plaats van op de gemeenschappelijke klem | Bel de schakelaar los door: de klem die in beide standen meedoet, is de gemeenschappelijke en daar hoort de fase op |
| De middelste schakelaar doet niets of iets willekeurigs | Op de kruisschakelaar zit een inkomende en een uitgaande ader op hetzelfde klemmenpaar | Controleer of de twee aders die uit dezelfde richting komen als paar zijn aangesloten, en verwissel anders één zijde in zijn geheel |
| Schakelt normaal, maar de fitting staat onder spanning als de lamp uit is | De schakelaar onderbreekt de nul in plaats van de fase | Meet tussen elk contact van de fitting en de aarde met de lamp uit; staat er op een van beide 230 V, dan zit de schakelaar in de verkeerde ader |
| De ledlamp gloeit zwak na of knippert traag | Een klein lekstroompje door een controlelampje in de schakelaar of door de capaciteit tussen lange, parallel lopende aders | Haal de lamp eruit en zet er tijdelijk een gloeidraadlamp in: blijft het weg, dan is de lekstroom de oorzaak en niet de bedrading |
| De aardlekschakelaar valt uit zodra je inschakelt | Fase raakt aarde, of de nul van deze lamp is verwisseld met die van een andere groep | Meet met de groep uit de isolatie tussen elke ader en de aarde, en controleer of de nul bij het armatuur uit dezelfde groep komt als de fase |
Netjes afmonteren in de inbouwdoos
De meeste storingen die een week later opduiken, komen niet uit het schema maar uit de afmontage. Een ader die net te kort is, trek je bij het indrukken van de schakelaar langzaam uit zijn klem, en dan valt het licht uit terwijl er niets veranderd is.
Houd daarom vanaf de rand van de doos 10 tot 12 cm ader over. Dat is genoeg om de schakelaar buiten de doos aan te sluiten en daarna terug te duwen, en kort genoeg om de bocht netjes achter het mechanisme te krijgen.
Strip 8 tot 10 mm, en kijk op de achterkant van het schakelmateriaal: daar staat bij steekklemmen meestal de striplengte gestempeld. Te lang gestript laat blank koper buiten de klem uitsteken, te kort gestript klemt op de isolatie en maakt een verbinding die warm wordt.
Steekklemmen zijn bedoeld voor massieve installatiedraad. Werk je met soepele draad, gebruik dan adereindhulzen of kies schroefklemmen, want losse draadjes schuiven naast de klem langs.
Zet de schakelaar recht met een waterpas voordat je de schroeven aandraait. Een inbouwdoos zit in de wand vaak een paar graden gedraaid, en dat zie je pas terug in het afdekraam. Hoe de rest van dit soort klussen in huis in volgorde loopt, hangt aan dezelfde regel: eerst uitmeten, dan pas vastzetten.
Duw de aders in een bocht naar achteren en niet in een knik. Een knik in massieve draad van 1,5 mm2 breekt na een paar keer in- en uitbouwen precies op die plek, en dat is een storing die pas maanden later opduikt.
Zo sluit je een schakelaar met drie draden aan
De volgorde bestaat uit vaststellen, aansluiten en testen, en de eerste stap kost de meeste tijd.
-
Zet de groep uit en controleer op de aders zelf
Schakel de automaat van de lichtgroep uit en meet bij elke schakelaar en bij het lichtpunt met een tweepolige spanningstester. Wissel daarbij de stand van de andere schakelaars, want een wisseldraad kan in de ene stand dood zijn en in de andere onder spanning staan.
-
Fotografeer de bestaande aansluiting en label elke ader
Maak een scherpe foto van de klemzijde voordat je iets losmaakt en plak om elke ader tape met een letter. De kleuren in de doos zijn geen bewijs van de functie, je eigen labels wel.
-
Tel de klemmen en bepaal het type schakeling
Twee klemmen is enkelpolig, drie met één wip is wissel, drie met twee wippen is serie en vier is een kruisschakelaar. Klopt het aantal aders niet met het aantal klemmen, dan ligt er een doorgeluste nul of een aarde in de doos die niet op de schakelaar hoort.
-
Stel per ader de functie vast
Bel met de groep uit door welke ader waar uitkomt. Zet daarna de groep kort aan en meet welke ader in elke stand spanning voert: dat is de fase. De aders die per stand wisselen zijn de wisseldraden, en de ader die alleen spanning voert als de lamp brandt is de schakeldraad.
-
Meet de nieuwe schakelaar uit voordat je hem bedraadt
Zoek met de doorbelfunctie de gemeenschappelijke klem: die doet in beide standen mee, terwijl de twee wisselklemmen onderling nooit verbinding maken. Daarmee ben je onafhankelijk van de aanduiding die het merk gebruikt.
-
Sluit de fase of de schakeldraad op de gemeenschappelijke klem aan
Bij het eerste bedienpunt komt de fase op die klem, bij het laatste de schakeldraad naar het armatuur. De twee wisseldraden gaan op de overige klemmen en mogen onderling verwisseld worden; dat draait alleen de wip om.
-
Sluit een tussenliggend punt aan als paar
Op een kruisschakelaar horen de twee aders die uit dezelfde richting komen bij elkaar op één klemmenpaar. Verdeel je zo'n paar over beide zijden, dan verbind je in één stand de twee wisseldraden met elkaar en reageert de schakeling willekeurig.
-
Monteer, test alle standen en sluit daarna pas af
Duw de aders in een bocht naar achteren, zet de schakelaar recht en schakel de groep in. Test bij twee bedienpunten vier standcombinaties en bij drie punten acht, en controleer met de tester of de fitting spanningsloos is als de lamp uit staat.
Ophangwijzer
Kies je wandtype en het gewicht van wat je wilt ophangen. Je ziet welke bevestiging het houdt, tot hoeveel kilo, en wat je beter niet doet. Open de volledige ophangwijzer
Nalopen voordat de afdekramen erop gaan
Uit de praktijk
De lamp reageert alleen als de andere schakelaar in één stand staat
Het symptoom is dat één bedienpunt gewoon werkt en het andere alleen soms. Dan zit de fase of de schakeldraad op een wisselklem in plaats van op de gemeenschappelijke klem.
De schakelaar zet de gemeenschappelijke klem om tussen de twee andere. Hangt de fase aan een wisselklem, dan bereikt die alleen de rest van de schakeling wanneer de wip toevallig naar die zijde staat, en in de andere stand is er nergens spanning om door te geven.
Het herstel kost één ader: bel de schakelaar los door, zoek de klem die in beide standen meedoet en verhang de fase daarheen. De twee wisseldraden mag je daarna in willekeurige volgorde op de overige klemmen zetten.
Een ader die net dood was, staat ineens onder spanning
Je meet de aders na in de schakelaardoos, ze zijn spanningsloos, en tien minuten later tikt de tester toch aan. De verklaring zit in de andere schakelaar van dezelfde schakeling.
Een wisseldraad hangt via de gemeenschappelijke klem van het andere bedienpunt aan de fase, of niet, en dat wisselt met elke druk op die wip. Zolang de groep aan staat, is de toestand van zo'n ader dus geen eigenschap maar een momentopname.
De enige betrouwbare toestand is de automaat van de lichtgroep uit, gecontroleerd op de aders zelf en niet op de lamp. Wordt er in huis meegewerkt, plak de automaat dan af of neem hem mee naar de klus.
De ledlamp gloeit na terwijl alle schakelaars uit staan
Het beeld is een lamp die zwak blijft nagloeien of elke paar seconden knippert, meestal in een gang of een trapportaal met lange leidingen. Er loopt dan een klein lekstroompje dat een gloeidraadlamp nooit had laten zien.
Dat komt van een controlelampje in de schakelaar, dat zijn stroom dwars door de uitgeschakelde lamp haalt, of van de capaciteit tussen de fase en de schakeldraad die over tientallen meters naast elkaar in dezelfde buis liggen. De driver van een ledlamp heeft zo weinig nodig dat hij daarvan al even oplaadt en ontlaadt.
Er zijn twee uitwegen: schakelmateriaal zonder verlicht controlelampje, of een ontstoringscondensator parallel aan het armatuur die de lekstroom wegneemt. Een ledlamp van een ander type helpt soms ook, maar dat blijft proberen.
Veelgemaakte fouten
De draden tellen in plaats van de klemmen
Drie aders in de doos betekent niet automatisch een wisselschakelaar. Er kan een nul doorgelust liggen voor een toekomstige dimmer, of een aarde die bij het armatuur hoort.
Het aantal klemmen op de schakelaar vertelt wel wat de schakeling is, want dat is het aantal verbindingen dat het mechanisme kan maken. Begin daar, dan weet je meteen welke ader in de doos niet meedoet.
Blauw automatisch als nul behandelen
In een lichtinstallatie blijft de nul in de centraaldoos en komt hij niet bij de schakelaar. Zit er blauw op een schakelaarklem, dan is die ader hergebruikt als schakel- of wisseldraad.
Sluit je hem aan als nul, dan verbind je een schakeldraad met de nulrail. Op het moment dat de schakelaar dichtgaat, staat de fase rechtstreeks aan de nul en valt de automaat uit.
De schakelaar in de nul zetten in plaats van in de fase
Een schakeling die de nul onderbreekt, werkt gewoon: de lamp gaat aan en uit en niets lijkt er mis. De fitting staat alleen nog steeds aan de fase, ook als het licht uit is.
Dat merk je pas bij het vervangen van een lamp, met je vinger langs de rand van de fitting. Meet daarom na montage tussen beide fittingcontacten en de aarde met de lamp uit; daar hoort 0 V te staan.
Op een kruisschakelaar de paren over beide zijden verdelen
De twee aders die van dezelfde wisselschakelaar komen, horen op één klemmenpaar. Zet je er één op de andere zijde, dan koppel je in één stand de twee wisseldraden aan elkaar.
Kortsluiting levert dat niet op, want beide aders komen uit dezelfde gemeenschappelijke klem. Het resultaat is erger te vinden: de lamp reageert wel, maar op een willekeurige combinatie van standen, en dat lijkt op een kapotte schakelaar.
Alleen de schakelaar uitzetten en dan de doos openen
Bij een wisselschakeling haalt de schakelaar de spanning niet weg maar verlegt hij hem naar de andere wisseldraad. Er blijft dus altijd een ader in de doos onder spanning staan, afhankelijk van de stand van het andere punt.
Zet de automaat van de groep uit en controleer daarna op de aders zelf. Het uitvallen van de lamp is geen bewijs dat de doos dood is.
De aders te kort afknippen bij het afmonteren
Met minder dan 10 cm ader buiten de doos kun je de schakelaar niet buiten de wand aansluiten en moet je in de doos frunniken. De klemmen komen dan onder trek te staan zodra je het mechanisme terugduwt.
Zo'n verbinding houdt het eerst en laat later los, en dan zoek je een storing in een schakeling die je goed hebt aangesloten. Houd 10 tot 12 cm over en leg de ruimte in een bocht achter het mechanisme.
Een contactloze spanningszoeker als bewijs nemen
Een contactloze zoeker reageert op een elektrisch veld en niet op een gesloten stroomkring. Naast een fase die meters lang in dezelfde buis meeloopt, piept hij ook op een wisseldraad die nergens aan hangt.
Omgekeerd zwijgt hij soms bij een ader die wel spanning voert, bijvoorbeeld achter een metalen doos of door een dikke wandafwerking. Alleen een tweepolige tester, die met belasting meet, geeft uitsluitsel.
Veelgestelde vragen
Hoe moet ik een schakelaar aansluiten met 3 draden?
Tel eerst de klemmen op de schakelaar. Zitten er drie en is er één wip, dan is het een wisselschakelaar: op de gemeenschappelijke klem komt de fase of de schakeldraad naar de lamp, en de twee wisseldraden gaan op de andere twee klemmen.
Zitten er maar twee klemmen op, dan hoort één van de drie aders niet op de schakelaar. Dat is dan een doorgeluste nul of een aarde, en die verbind je door of laat je geïsoleerd in de doos liggen.
Hoe weet ik of ik een wisselschakelaar of een gewone schakelaar heb?
Aan het aantal klemmen: een enkelpolige schakelaar heeft er twee, een wisselschakelaar drie. Van buiten zijn ze niet te onderscheiden, want de wip en het afdekraam zijn identiek.
Een wisselschakelaar heeft ook geen vaste aan-stand. Staat de wip in jouw huis bij brandend licht de ene keer omhoog en de andere keer omlaag, dan zit die lamp in een schakeling met twee of meer bedienpunten.
Hoe kan ik een wisselschakelaar aansluiten met 3 draden als de klemmen niet gemarkeerd zijn?
Leg de schakelaar los op tafel, zet de multimeter op doorbellen en probeer alle drie de klemparen in beide standen van de wip. Twee klemmen maken onderling nooit verbinding: dat zijn de wisselklemmen.
De derde klem doet in beide standen mee, telkens met een andere partner, en dat is de gemeenschappelijke. Daar sluit je de fase op aan bij het eerste bedienpunt, of de schakeldraad naar de lamp bij het laatste.
Hoe kan ik een hotelschakeling aansluiten met drie bedienpunten?
Aan de uiteinden komen twee wisselschakelaars en ertussen één kruisschakelaar. De fase gaat naar de gemeenschappelijke klem van de eerste, twee wisseldraden lopen via de kruisschakelaar naar de laatste, en vanaf die gemeenschappelijke klem gaat de schakeldraad naar de lamp.
De nul en de aarde komen in geen enkele schakelaar en gaan rechtstreeks naar het armatuur. Het volledige verloop per traject staat in het schema van een hotelschakeling.
Welke draad is de fase, welke de wisseldraad en welke de schakeldraad?
De fase voert 230 V tegen de nul in elke stand van elke schakelaar. Een wisseldraad voert in de ene stand wel en in de andere geen spanning, en de schakeldraad staat alleen onder spanning als de lamp brandt.
In een installatie van na 1970 is bruin de fase, blauw de nul en geelgroen de aarde, terwijl zwart en grijs de schakelende aders zijn. Die kleuren zijn een aanwijzing en geen bewijs: meten gaat voor.
Er zit een blauwe draad op mijn schakelaar, wat moet ik daarmee?
Behandel hem als schakeldraad. De nul blijft in een gewone lichtinstallatie in de centraaldoos, dus een blauwe ader die op een schakelaarklem zat, is vrijwel altijd hergebruikt als schakel- of wisseldraad.
Meet na waar hij uitkomt en plak er tape omheen zodra je het weet. Sluit hem nooit aan op de nulrail, want dan legt de eerste druk op de schakelaar de fase rechtstreeks aan de nul.
Moet de aarde op de schakelaar worden aangesloten?
Bij kunststof schakelmateriaal niet, want daar valt niets aan te raken dat onder spanning kan komen. De geelgroene ader verbind je dan door naar het punt waar hij hoort, meestal het armatuur, of je laat hem met een klem netjes in de doos liggen.
Bij een metalen frame of een metalen afdekplaat sluit je de aarde wel aan op het daarvoor bedoelde punt. Knip een aarde in geen enkel geval af: hij hoort bij de installatie en niet bij de schakelaar die je vervangt.
Waarom staat er spanning op een draad terwijl de lamp uit is?
Dat hoort bij een wisselschakeling. De schakelaar haalt de spanning niet weg maar verlegt hem naar de andere wisseldraad, dus er staat altijd één ader onder spanning zolang de groep aan staat.
Welke van de twee dat is, hangt af van de stand van het andere bedienpunt en verandert dus terwijl je bezig bent. Alleen de automaat van de groep uitzetten maakt de doos echt spanningsloos.
Mijn lamp gaat alleen aan als de andere schakelaar in een bepaalde stand staat, hoe los ik dat op?
Dan zit de fase of de schakeldraad op een wisselklem in plaats van op de gemeenschappelijke klem. Bel de schakelaar los door, zoek de klem die in beide standen verbinding maakt en verhang die ene ader daarheen.
Blijft het probleem na die correctie bestaan bij drie bedienpunten, kijk dan naar de kruisschakelaar in het midden. Daar horen de twee aders die uit dezelfde richting komen op één klemmenpaar te zitten.
Kan ik een slimme schakelaar of een dimmer plaatsen in een doos met drie draden?
Een dimmer kan alleen op een bedienpunt waar het model als wisselschakelaar aansluitbaar is, en er mag er maar één in de schakeling zitten. Twee dimmers in dezelfde schakeling regelen tegen elkaar in.
Voor bijna elke slimme wandschakelaar geldt dat hij een nul nodig heeft om zichzelf te voeden. Ligt er geen nul in de doos, dan is een module in de centraaldoos of achter het armatuur de gebruikelijke weg, met de bestaande schakelaars als bedienpunt.
Kan ik een gewone schakelaar gebruiken in plaats van een wisselschakelaar?
Alleen als je het tweede bedienpunt opgeeft. Een enkelpolige schakelaar heeft twee klemmen en kan de wisseldraden niet omzetten, dus het andere punt werkt daarna niet meer.
Andersom mag wel: een wisselschakelaar doet prima dienst als gewone schakelaar. Je bedraadt dan de gemeenschappelijke klem en één wisselklem, en de derde klem blijft leeg.
Mag ik zelf een schakelaar of een hotelschakeling aansluiten?
Aan de eigen installatie achter de groepenkast mag je in een koopwoning zelf werken, mits het resultaat voldoet aan NEN 1010. In een huurwoning meld je het eerst bij de verhuurder, want de installatie is niet van jou.
Werk in de groepenkast zelf, aan de hoofdaansluiting of aan een installatie zonder aarde laat je aan een installateur. Datzelfde geldt als je de bedrading niet kunt herleiden of als de aardlekschakelaar blijft uitvallen nadat je alles hebt nagelopen.
Wanneer je beter een vakman belt
Het bedraden van een schakelaar blijft werk dat je met een tester en wat geduld zelf kunt doen. De grens ligt bij de groepenkast: een groep bijplaatsen, een aardlekschakelaar vervangen of iets aan de hoofdzekering doen is werk voor een erkend installateur, en aan de aansluiting vóór de meter mag alleen de netbeheerder komen.
Laat ook meekijken als de installatie geen aarde heeft, als je katoen- of loodgeïsoleerde bedrading aantreft, of als de aardlekschakelaar blijft uitvallen nadat je alle aders hebt nagelopen. In een badkamer bepalen de zones uit NEN 1010 wat waar mag zitten, en die afweging is met een meter alleen niet te maken.